Het is opvallend hoe snel iemand zich deskundig over Israel noemt. Een goed voorbeeld hiervan
troffen wij aan in het maandblad Ego van november 1996. Wij bespreken dit nu pas omdat
Likoed Nederland met de redactie in gesprek is geweest (zie de rubriek: Likoed en de media).
Zo werd er in dit artikel, van de hand van Leon Wecke, bijvoorbeeld gesteld:
"In strijd met eerder door Israel gemaakte afspraken werd de toeristische tunnel vlakbij
de fundamenten van de Al-Aqsa moskee in Oost-Jeruzalem enige dagen voor het publiek
geopend, deze is nu overigens tijdelijk gesloten".
Hoeveel fouten kan men maken in één zin?
Het artikel staat vol van dit soort onjuistheden en een eenzijdige anti-Israel stellingname.
Daarnaast gebruikt de schrijver, Leon Wecke, een aantal frasen die kwalijk zijn, zoals
bijvoorbeeld:
"een naar een fascistische politiek neigende regering" en
"vrede en veiligheid in de wereld kunnen niet naar believen door een toevallige regering van Israel
bepaald worden".
Deze regering is uiteraard volstrekt niet 'toevallig': zij is democratisch gekozen in vrije verkiezingen,
nota bene als enige in het gehele Midden-Oosten.
In de uitzending van Netwerk Avro-TV op 2 januari 1997 werd de Israëlische schrijver M. Shalev enkele minuten aan het woord gelaten. Deze had het volgende te melden:
Deze uitspraken gaven stuk voor stuk blijk van een fascistoide houding van de heer Shalev. Desondanks werden deze niet eens vergezeld van een commentaar of werd er een weerwoord uitgezonden. De redactie is blijkbaar van mening dat fascistische uitspraken toegestaan zijn op de Nederlandse TV als het Israel betreft.
Jan Keulen schrijft in De Volkskrant op 4 maart j.l.:
"Arafats argument dat het bouwen van een nieuwe joodse nederzetting in Oost-
Jeruzalem in flagrante strijd is met de Oslo-akkoorden, is moeilijk weerlegbaar".
Zoals vermeld in het artikel 'Land voor vrede' is dit onjuist en had een bezoek aan een
Israëlische voorlichter dit snel kunnen ophelderen. De omslachtige formulering laat zien dat
de journalist zich toch niet zo zeker voelde van zijn zaak.
Het taalgebruik is ook opmerkelijk door de term 'nederzetting': Har Homa is een nog onbebouwde
heuvel omringd door stedelijk gebied, dringend nodig om iets te kunnen doen aan de
schrijnende behoefte aan huisvesting in Jeruzalem. De term nederzetting is nog minder van
toepassing op Har Homa dan op de nieuwe Amsterdamse wijk IJburg!
Hetzelfde geldt voor de term 'Oost-Jeruzalem', iedereen die kaart kan lezen zal zien dat Har
Homa vrijwel recht ten zuiden van de oude stad ligt.
In andere media wordt gesuggereerd dat het om Arabische grond gaat, ook dat is wederom
propaganda. Er is voor de bouw van de nieuwe woonwijk grond onteigend die overwegend (voor
76%) in joodse handen was. Men vergeet dat het de joden waren die al in de vorige eeuw het
ingeslapen provinciestadje Jeruzalem tot bloei wekten, dat de joden sinds 1850 de meerderheid
van de bevolking uitmaken, dat zij als eersten wijken buiten de muren van de oude stad
bouwden (sinds 1860). Ook in het oostelijk gedeelte vormen zij de meerderheid.
Soms wordt het argument gebruikt dat het gebied voor 1967 in Arabische handen was. Een
grotere gotspe is nauwelijks denkbaar. Voor 1948 was er een grote joodse gemeenschap in het
oostelijk gedeelte van de stad.
In de periode van 1948 tot 1967 werden de joden door de Jordaniërs verdreven, werden
de 56 synagogen vernield en werden begraafplaatsen geschonden.
Door het jaartal 1967 als uitgangspunt te nemen lijkt men 19 jaar etnische en culturele zuivering
goed te praten.
Uitgezonderd deze 19 jaar internationaal niet-erkende Jordaanse overheersing moet men
teruggaan tot voor de Turkse periode (1517-1917) om Arabische zeggenschap over de stad te
constateren.
Een andere gelanceerde mythe is die van dat de Amerikaanse steun aan Israel wankelt en dat er
sprake is van gespannen verhoudingen door de bouw van Har Homa.
Ten eerste heeft Amerika, zoals algemeen bekend is, de beide VN-resoluties tegen de bouw van
Har Homa middels een veto verhinderd.
Ten tweede heeft president Clinton duidelijk verklaard dat Israel geen concessies hoeft te doen
om de Palestijnse terreur te laten stoppen. (Wall Street Journal, 8 april 1997)
Ten derde heeft het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn teleurstelling
uitgesproken over de recente beslissingen van de Arabische Liga. Woordvoerder John Dinger zei op 31
maart:
"Essentieel is een klimaat dat het vredesproces ondersteunt. We hopen dat de
Arabische Liga haar verantwoordelijkheid in deze erkent.
Economische banden en bilaterale verhoudingen zijn daarbij een noodzaak."
Ten vierde maakt men zich grote zorgen over de terreur. Het Ministerie wilde niet bevestigen dat
de Amerikaanse bemiddelaar Dennis Ross er bij Arafat op had aangedrongen een oproep te doen
om terroristische aanslagen een halt toe te roepen. Woordvoerder Dinger noemde terrorisme wel
"het belangrijkste probleem".
Hij zag zich genoodzaakt bemiddelaar Ross te verdedigen, na de beschuldigingen van Faroek
Kadoemi, hoofd van het Politiek Bureau van de PLO. Deze had Ross verweten: "aan de
kant van Israel te staan en het vredesproces te vernietigen. Laat hem naar de hel lopen, deze
bevooroordeelde zionist."
Ten vijfde is de oproep van Arafat tot herinvoering tot de Arabische boycot strijdig met de
voorwaarde waaronder een pakket van $ 500 miljoen Amerikaanse hulp aan de PLO verstrekt wordt.
In de betreffende Middle East Peace Facilitation Act wordt geëist: "cooperating
with efforts undertaken by the President of the United States to end the Arab League boycott of
Israel." (sectie 3(c), paragraaf 1,2 & 3).
De eerstvolgende $ 10 miljoen van dit hulppakket is daarom door het Amerikaanse Congress al
geblokkeerd.
Terug naar index 'Het Beloofde Land'