Afscheidsrede van professor Pieter W. van der Horst, Universiteit Utrecht, 16
juni 2006.
N.B. Dit is de ongecensureerde versie, met de verwijzing naar het hedendaags
antisemitisme.
De eerste ontmoetingen tussen Joden en Grieken waarover ons iets bekend is
lieten bij de Grieken over het algemeen een positieve indruk van het joodse volk
na. Zo is daar bijvoorbeeld de bekende passage waarin tegen het einde van de
4de eeuw v.C. Aristoteles' leerling Theophrastus de Joden 'filosofen' noemt.
Helaas is dit vroegste getuigenis vanwege tekstkritische en andere
problemen onzeker en we kunnen er daarom niet te veel waarde aan hechten.
We hoeven echter niet lang te wachten voordat hetzelfde opnieuw wordt
gezegd, ook nu weer door een leerling van Aristoteles, genaamd Clearchus van
Soli (rond 300 v.C.). Clearchus zegt in zijn dialoog 'De somno' dat Aristoteles
hem verteld had eens een Jood te hebben ontmoet die iets wonderbaarlijks en
filosofisch had.
Die man, zo zegt Aristoteles, sprak niet alleen Grieks, hij had ook een
Griekse ziel. "In de tijd dat wij in Klein-Azië verbleven, bezocht hij dezelfde
plaatsen als wij en zocht hij contact met ons en met enkele andere geleerden.
Hij wilde testen hoe geleerd ze waren. Maar omdat hij al veelvuldig onder
intellectuelen verkeerd had, kon hij ons meer leren dan wij hem."
Men kan met recht twijfels hebben over de historische geloofwaardigheid van
een ontmoeting tussen Aristoteles en een geleerde joodse filosoof, maar dat
doet feitelijk niet ter zake. Waar het om gaat is het feit dat er aan het begin van
de hellenistische tijd door Griekse intellectuelen zeer positief over Joden
geschreven kon worden.
Ook relatief vrij van antijoodse sentimenten zijn de fragmenten van
Hecataeus van Abdera (begin van de hellenistische tijd) waarin hij de oorsprong
en vroegste geschiedenis van het joodse volk beschrijft en daarbij zijn
bewondering voor Mozes niet onder stoelen of banken steekt - hij noemt hem
een man die uitblonk in wijsheid en moed - echter, halverwege zijn excursus
over de Joden merkt Hecataeus wel op dat zij, vanwege hun ervaring als
vreemdelingen uit Egypte verjaagd te zijn, er een wat asociale levenswijze op na
houden die in zekere zin door vreemdelingenhaat gekenmerkt wordt
(apanthrôpon tina kai misoxenon bion). Een eerste kritische noot is er dus al.
Het is dan ook van belang er op te wijzen dat, naast positieve geluiden, er van
meet af aan, d.w.z. vanaf het begin van de hellenistische tijd, ook direct
anti-joodse stemmen te horen zijn. Het is waar dat het verschijnsel van
sympathie voor Joden en jodendom van Griekse en Romeinse zijde niet meer
ophoudt te bestaan tot aan het einde van de oudheid - het beste bewijs Jewish
Sage according to Clearchus of Soli.
De echtheid van de fragmenten blijft omstreden, maar ook al zou de door mij
aangehaalde passage niet authentiek zijn, dan verandert dat niets aan het
totaalbeeld van pro-joodse sympathie van Griekse zijde. daarvan zijn de tijdens
het Romeinse keizerrijk overal zo goed geattesteerde 'Godvrezenden' (in het
Grieks theosebeis, sebomenoi of phoboumenoi ton theon), groepen pagane
sympathizanten die aansluiting zochten bij lokale synagogen, zonder er lid van
te worden maar wel de joodse gemeente op allerlei wijzen ondersteunend.
Maar dit verschijnsel werd onafgebroken begeleid door een eveneens
niet meer ophoudende stroom van anti-joodse propaganda van de kant van
antieke auteurs.
Het beginpunt van deze anti-joodse propagandaliteratuur is te vinden in het
werk van Manetho, niet toevallig een Egyptenaar die rond het begin van de
derde eeuw v.C. in het Grieks een groot werk over de geschiedenis van Egypte
schreef; en het voorlopige hoogtepunt (of liever gezegd: dieptepunt) wordt
bereikt wanneer in de eerste eeuw n.C. door Apion, opnieuw een Egyptenaar
uit Alexandrië die in het Grieks schreef, een uitermate venijnige lastercampagne
tegen het joodse volk wordt gelanceerd die vrijwel zeker heeft bijgedragen aan
de grote uitbarsting van fysiek geweld tegen de Joden in Alexandrië (in 38 n.C.)
waarmee de eerste pogrom in de geschiedenis een feit werd.
Zijn tijd- en stadsgenoot Chaeremon, alweer een Egyptische geleerde en
jodenhater, wiens werk ik 22 jaar geleden heb gepubliceerd,10 komt ook uit
Alexandrië. Ook enkele andere anti-joodse auteurs uit de drie daartussen
liggende eeuwen waren uit Egypte afkomstig. Waar heeft dat mee te maken?
Hier moet men bedenken dat aan het begin van de derde eeuw v.C., dus in de
tijd van Manetho, voor het eerst een Griekse vertaling van een deel van de
Hebreeuwse Bijbel werd gemaakt, en wel van de Tora, de vijf boeken van
Mozes, waaronder dus ook het boek Exodus over de uittocht uit Egypte. In dat
verhaal komen de Egyptenaren er niet bepaald goed vanaf, in feite figureren ze
daar als de vijanden van God.
Of Griekstalige Egyptische intellectuelen nu deze vertaling zelf lazen of
dat ze er slechts door horen zeggen weet van kregen, in ieder geval gingen ze
direct in de tegenaanval door het verhaal van de exodus op anti-joodse wijze te
hervertellen.
Manetho zette de toon. Deze priester wijdt in zijn grote werk over Egypte
aandacht aan de exodus, maar in zijn versie liggen de zaken aanmerkelijk anders
dan in het bijbelverhaal.
Kort samengevat komt zijn verhaal hierop neer: Farao Amenophis wil
graag een visioen van de goden ontvangen. Hij krijgt het advies om, wil hij dat
doel bereiken, eerst het land Egypte te zuiveren van melaatsen en andere
onreine personen. Daar verzamelt hij er zo'n 80.000 van - waaronder ook
voormalige priesters - en stelt die tewerk in de steengroeven van het Nijldal.
Later worden ze op hun verzoek overgebracht naar Avaris, de oude en
inmiddels verlaten hoofdstad van de gehate Hyksos, waar een van de
voormalige priesters de leiding over deze groep op zich neemt.
Deze leider, Osarsiph genaamd maar later omgedoopt tot Mozes,
decreteert dat de goden van Egypte niet meer vereerd mogen worden, dat de
heilige dieren die in Egypte worden aanbeden opgegeten mogen worden, en dat
de leden van de groep met niemand van buiten de eigen kring meer omgang
mogen hebben. Hij legt ook contact met de inwoners van Jeruzalem, oude
vijanden van de Egyptenaren, en vraagt hun medewerking om Egypte aan te
vallen, hetgeen geschiedt.
Farao Amenophis kiest eieren voor zijn geld en vlucht met zijn leger naar
Ethiopië, waarna een waar schrikbewind van de overwinnaars in Egypte volgt:
dorpen en steden worden platgebrand, tempels geplunderd, heilige dieren
gebakken en gebraden, waarbij de priesters van deze dieren gedwongen werden
hun eigen goden te slachten en op te eten, waarna ze naakt uit hun tempels
werden gesmeten. Wanneer ze tenslotte toch verdreven worden, stichtten deze
aartskriminelen hun schurkenstaat in en rond Jeruzalem.
Dit klinkt allemaal al erg genoeg en is een regelrechte omdraaiing van het
bijbelverhaal, maar dan wel gekwadrateerd in kwaadaardigheid.
Toch is dit nog maar het begin van een proces van demonisering van het
joodse volk dat in de eeuwen daarna hoe langer hoe grimmiger vormen zal
aannemen. Het meest in het oog vallende is daarbij dat er sprake is van een
proces van generalisering waarin afkeer van Egypte en zijn goden wordt
verbreed tot haat jegens de mensheid in het algemeen en ontkenning van de
godenwereld, kortom: het joodse volk krijgt als wezenskenmerken opgeplakt:
misantropie en atheïsme.
Goddeloosheid en mensenhaat zijn zo de standaard elementen geworden in de
anti-joodse propaganda in Alexandrië (en Egypte). Welke gevolgen dat had voor
de verhoudingen tussen enerzijds Joden en anderzijds Egyptenaren en Grieken
in die stad wordt pijnlijk duidelijk in een onthullende papyrus van circa 20 v.C.
waarin een Grieks-Alexandrijnse hoogwaardigheidsbekleder de wens van zijn
Griekse medeburgers tot uitdrukking brengt "erop toe te zien dat de zuivere
burgerstand van Alexandrië niet wordt gecorrumpeerd door mensen zonder
opvoeding en beschaving."
Eenvoudig gezegd betekent dit: Joden mogen geen burgers van deze
stad worden want die burgerklasse moet 'Judenrein' blijven. 'Mensen zonder
opvoeding en beschaving' zijn hier de Joden, onthoudt u dat, want ik kom er op
terug.
Ik moet om redenen van tijd en de gemengde aard van het publiek afzien van
een zelfs maar oppervlakkig overzicht van de ontwikkeling van de jodenhaat en
de 'judeofobie,' zoals de befaamde judaïst en Utrechtse eredoctor Peter
Schäfer het heeft genoemd, en maak nu direct een sprong naar het dieptepunt
bij Apion, de Alexandrijnse geleerde die ik al noemde. Deze extreme jodenhater
was een alom gerespecteerd geleerde die zijn sporen had verdiend met een
uitgebreid oeuvre op het terrein van de geschiedenis, de Homerusuitleg, de
grammatica en tal van andere onderwerpen.
Zijn aanvallen op het joodse volk in zijn geschiedwerk over Egypte zijn
zó boosaardig en ook zó invloedrijk dat verscheidene decennia na zijn dood de
joodse historicus Josephus het nog steeds nodig vindt om een heel werk te
wijden aan de weerlegging van de laster van deze aartsantisemiet, namelijk in
zijn boek Contra Apionem. Het verhaal dat Apion vertelt gaat als volgt:
De Seleucidische koning Antiochus IV kwam de Jeruzalemse tempel binnen en
vond daar een man die op een aanligbed lag met voor zich een tafel die voorzien
was van een rijk banket van vis en vlees waar de man in verbijstering naar
staarde. Toen de koning binnenkwam werd hij door de man onmiddellijk
verwelkomd als een bevrijder. Voor de koning neervallend strekte hij zijn handen
uit en smeekte hem om zijn hulp. De koning verzekerde hem dat hij die zou
geven en vroeg hem wie hij was, waarom hij hier vertoefde en wat de betekenis
was van die uitbundige dis.
Daarop vertelde de man onder zuchten en in tranen zijn treurige verhaal.
Hij zei dat hij een Griek was en dat hij, terwijl hij rondreisde in dit land om er
handel te drijven, plotseling werd gekidnapt door vreemdelingen en naar deze
tempel werd gebracht en opgesloten. Hij werd door niemand gezien behalve
door dienaren die hem vetmestten met maaltijden van de meest uitzonderlijke
luxe. Aanvankelijk leek hem zo'n onverwacht buitenkansje nog wel iets aardigs,
maar na enige tijd werd hij toch achterdochtig en tenslotte verbijsterd.
Uiteindelijk vroeg hij een van de mensen die hem kwamen bedienen wat
er aan de hand was. En deze informeerde hem dat dit gedaan werd om een
geheime wet van de joden te vervullen. Elk jaar vingen zij namelijk op een
bepaalde tijd een Griekse vreemdeling, mestten hem een jaar lang vet, leidden
hem tenslotte naar een bos, waar ze hem vermoordden en zijn lichaam offerden
met het gebruikelijke ritueel om daarna zijn ingewanden op te eten. En terwijl zij
de Griek offerden, zwoeren zij een eed van vijandschap jegens alle Grieken.
We moeten bij dit gruwelverhaal van Apion niet vergeten dat de auteur een man
was die gedurende de regering van keizer Caligula niet alleen door Alexandrië
geëerd werd met de schenking van het burgerschap van hun stad (een
uitzonderlijke eer voor een Egyptenaar!), maar dat diezelfde stad hem ook vroeg
om als leider en woordvoerder te fungeren in de Alexandrijns-Griekse delegatie
naar Rome na het conflict tussen joden en Grieken, de pogrom die de joodse
gemeenschap in de stad in het jaar 38 in zoveel ellende had gestort.
Als deze man zó prestigieus was dat de Grieken in Alexandrië besloten hadden
hem het burgerrecht toe te kennen, dan moet het ons niet verbazen dat zijn
ongelooflijke beschuldiging van joods kannibalisme, waarbij er nota bene ook
nog een Griek werd opgegeten, door deze Grieken serieus werd genomen en
geloofd.
En dat zal zeker buitengewoon veel haat hebben gekweekt en
bijgedragen hebben aan de geweldsuitbarsting.
Maar waarom kannibalisme? Waren misantropie en atheïsme niet al erg genoeg
als beschuldiging? Natuurlijk kan men zeggen dat kannibalisme altijd als de ergst
denkbare beschuldiging geldt, dus dat daarvoor geen speciaal motief hoeft te
worden aangevoerd.
Ook is bekend dat de combinatie van het eten van menselijke
ingewanden en het zweren van een eed in de antieke propagandaliteratuur een
topos was om aan te geven dat het om een criminele samenzwering van de
tegenstanders ging.
Maar als men denkt dat dat de hele verklaring is - de Joden als
samenzweerders tegen de erfdragers der beschaving, de Grieken - dan ziet men
over het hoofd dat deze beschuldiging, hoewel in het Grieks op schrift gesteld,
uit een Egyptische koker komt. Wat hier mijns inziens namelijk op de
achtergrond meespeelt is een Egyptisch motief dat te maken heeft met de
verering van de godin Isis.
Isis is tot laat in de oudheid de meest populaire Egyptische godin geweest, niet
alleen in haar land van oorsprong maar ook tot zeer ver buiten Egypte.
Er is vrijwel geen land in de antieke wereld waar geen sporen van de
verbreiding van haar cultus gevonden zijn. Een van de meer specifieke uitingen
van de Isiscultus in de Grieks-Romeinse wereld zijn de zogenaamde
Isis-aretalogieën, d.w.z. teksten, meestal als inscripties op steen bewaard
gebleven maar soms ook geschreven op papyrus, waarin de grote daden en de
goede eigenschappen van deze godin in het Grieks worden bezongen, hetzij
door haarzelf in de ik-vorm hetzij door een van haar aanbidders in de derde
persoon.
Van deze propagandistische aretalogieën zijn een aantal exemplaren
over, alle uit de eeuwen rond het begin van onze jaartelling (2de eeuw v.C. -
3de eeuw n.C.). Zij hebben een Egyptische achtergrond, wellicht in de
priesterlijke theologie van de stad Memphis die het centrum van haar cultus
was, maar de daarmee verbonden problematiek kunnen we voor onze
doeleinden goeddeels buiten beschouwing laten.
Om een indruk te geven van zulke teksten citeer ik hier enkele zinnen uit mijn
eigen, al 12 jaar geleden gepubliceerde vertaling van een Isis-aretalogie op een
papyrus uit het Egyptische Oxyrrhynchus, waar Isis o.a. wordt bezongen als
"leidster van zeeën, heerseres over mondingen van rivieren, (.) die ook de Nijl
over het hele land doet komen, (.) de alheerseres bij de processies der goden,
die vijandschap haat, het echte juweel van de wind en diadeem van het leven,
(.)
O heerseres Isis, grootste der goden, belangrijkste naam, (.) U heerst
over het hemelse en het onmetelijke; (.) U brengt de zon van zijn opgang naar
zijn ondergang en alle goden verheugen zich daarover; bij het opkomen der
sterren aanbidden de bewoners van het land u onvermoeibaar; (.) de demonen
zijn u gehoorzaam; (.) U hebt in alle steden voor altijd tempels van Isis
gevestigd en u hebt aan alle mensen de wetten en een volmaakt jaar
overhandigd; (.)U hebt aan vrouwen een gelijke macht aan die van mannen
gegeven; (.)U bent dan ook de heerseres over alle dingen voor altijd!"
Ook de ikvorm wordt gebruikt (in de aretalogie van Kyme): "Ik heb met Hermes
de lettertekens uitgevonden; (.) ik heb de mensheid wetten gesteld; (.) ik ben
degene die voor de mensen vruchten heeft uitgevonden; (.) ik heb de aarde van
de hemel gescheiden; (.) ik heb de baan van zon en maan bepaald; (.) ik heb
man en vrouw met elkaar verbonden; (.) ik heb de heerschappij van tyrannen
beëindigd en ik heb het moorden gestopt." En zo gaat het maar door, de
lofprijzing kan maar geen einde nemen.
Waar het mij in dit verband nu om gaat is dat in een aantal van deze
Isisaretalogieën een opvallend motief voorkomt dat als volgt wordt verwoord:
"Samen met mijn broer Osiris heb ik een einde gemaakt aan de
anthrôpophagia."
Het woord anthrôpophagia betekent 'het opeten van mensen,'
kannibalisme dus. In de context wordt telkens benadrukt dat Isis de mensen,
die aanvankelijk als wilde dieren leefden en geen wetten en regels kenden en
daarom elkaar voortdurend naar het leven stonden en elkaar zelfs letterlijk
verslonden, beschaving heeft gebracht: ze voerde wetten in, leerde de
mensheid vruchten eten, dus de voortbrengselen van de aarde i.p.v. elkaar, ze
maakte daarmee een einde aan het onderlinge moorden, ze leerde de mensen op
een beschaafde manier met elkaar te leven, ze onderwees hen ook het schrift
zodat cultuur kon ontstaan.
Kortom: Isis is de godin van het eerste grote beschavingsoffensief. De
overgang van een dierlijk, beestachtig bestaan naar een volwaardig menselijk
leven is alleen maar dankzij haar goedheid mogelijk geweest. Het is het stoppen
met elkaar uitmoorden en verslinden en het gaan eten van de voortbrengselen
van de aarde dat de overgang van totale afwezigheid van beschaving naar een
geciviliseerd bestaan markeert. Dat einde van een dierlijk bestaan is alleen
dankzij de gaven van Isis mogelijk geworden.
Een saillant detail is natuurlijk dat, terwijl in de Isisteksten het de wetten van
deze godin zijn die de mensheid de beschaving binnenvoeren, het volgens Apion
de wetten van de god van de Joden zijn die hen juist buiten de beschaving
houden. Kennelijk heeft de joodse god niet het civilizerend potentieel dat Isis
wél heeft.
Het is daarom dat de Joden volgens Apion deze cruciale beschavingsslag
hebben gemist, terwijl de rest van de mensheid die wél heeft meegemaakt. De
impliciete vraag is dan ook of Joden eigenlijk wel volwaardig mensen zijn, quod
non. Dat is zeker de suggestie die Apion bij zijn Egyptische en Griekse lezers wil
wekken. Een ieder in het Alexandrijnse milieu die de door de Isis-aretalogieën
verkondigde theorie over het ontstaan van beschaving en cultuur kende, en dat
waren er in die stad zeker zeer velen, konden niet tot een andere conclusie
komen dan dat Joden 'Untermenschen' waren. Geen wonder dat ze hen in het
jaar 38, waarschijnlijk kort na de publikatie van Apions werk, met graagte
vermoordden (zie Philo's In Flaccum).
Nu is het niet zo dat deze these staat of valt met de Egyptische oorsprong van
deze theorie over het begin der beschaving.
Ook in louter Griekse milieus, buiten de kring van Isis-aanhangers,
circuleerden er soortgelijke gedachten. Om slechts enkele van de belangrijkste
getuigenissen daarvan te noemen, reeds bij Homerus vinden we het motief van
een menseneter als wilde barbaar in de figuur van de cycloop Polyfemus
(androphagos noemt de dichter hem, 'geen broodetend mens,') en hetzelfde
epos kent ook hele volksstammen die leven van mensenvlees zoals de wilde
Laistrygonen.
Aristoteles spreekt over barbaarse volkeren bij de Zwarte Zee die zwelgen in
mensenvlees.
Hij was daarin al voorgegaan door Herodotus die over de Skythen, die
ook in die regionen wonen, spreekt als de meest wilde van alle mensen,
barbaarse androphagoi (kannibalen); later zullen ook Plinius Maior en anderen
dat doen).
Plinius noemt in zijn beschrijving van stammen in Afrika ook een volk genaamd
de Anthropophagi (menseneters).
De tragicus Euripides laat Theseus zeggen dat hij die god prijst die de
mensen uit hun oorspronkelijke dierlijke staat van leven heeft opgericht door
aan hen verstand, spraak, de kunst van de landbouw en andere vormen van
beschaving te schenken.
Plato verwijst in zijn Epinomis naar de traditie dat de mensheid door de
ontdekking van de akkerbouw verlost is van de noodzaak elkaar te verslinden).
Hij schildert overigens elders het tijdperk van Kronos als een idyllische en
vegetarische periode waarin vrede en harmonie allesoverheersend was, terwijl
de filosoof Euhemeros (ca. 300 v.C.) zegt dat die oertijd, de periode van
Kronos, een tijdperk van kannibalisme was, waarna het Zeus was die deze
gruwelijke praktijk afschafte en de mensen wetten en beschaving (leges
moresque) leerde.
Plutarchus levert de traditie over dat Osiris de mensheid van haar primitieve en
dierlijke levenswijze bevrijdde door hen de landbouw te leren en wetten te
geven; hier wordt weliswaar kannibalisme niet expliciet genoemd, maar gezien
de wel zeer nauwe parallellie met de Isishymnen is die vrijwel zeker
ge‹mpliceerd.
De neef van Plato's moeder, Kritias, spreekt in zijn beroemde tekst over
het gemanipuleerde ontstaan van het geloof in goden over de 'beestachtige'
(thêriôdês) staat waarin de mensheid leefde voordat er wetten werden
bedacht, daarbij waarschijnlijk doelend op kannibalisme).
In een passage over de evolutie van de beschaving zegt de tragedieschrijver
Moschion (4de-3de eeuw v.C.) dat de mensheid in haar oorspronkelijke staat
kannibalistisch was, brute dierlijke kracht was alles wat telde, totdat de
uitvinding van de landbouw de beschaving inluidde.
Theophrastus daarentegen was van mening dat de oorspronkelijke vorm
van offer louter vegetarisch van aard was, maar dat het een gebrek aan
plantaardig voedsel was waardoor de mensen er op een gegeven ogenblik toe
overgingen elkaar aan de goden te offeren; zo ontstond het kannibalisme, dat
vanwege de sociale nadelen op zijn beurt weer werd afgelost door het eten van
dierlijk vlees.
Een bijzondere overlevering wordt ons gemeld door de geograaf Pausanias, nl.
dat de godin Demeter via een orakel de inwoners van Arkadië dreigt hen weer
terug te laten vallen in hun oorspronkelijke staat van kannibalistische nomaden,
waaruit ze hen eerder heeft bevrijd, als ze haar niet vereren.
Tenslotte citeert Athenaeus een parodie van Athenion op al deze
Kulturentstehungslehren, waarin iemand beweert dat de eigenlijke redders van
de mensheid de koks zijn - immers, zij zijn het die door hun heerlijk bereide
maaltijden de mensen er vanaf hebben gebracht elkaar rauw te verslinden. Er
zouden nog veel meer teksten genoemd kunnen worden, maar ik volsta
hiermee.
In veel van deze teksten komt men telkens weer de termen thêriôdês
(beestachtig, dierlijk) en agriôdês (wild, woest) tegen als aanduiding van de
teugelloze en gewelddadige leefwijze der mensheid in haar kannibalistische
fase.
Aan de hier kort aangeduide passages kan men al zien dat er meer dan
één theorie over de plaats van dit inhumane leven in de ontwikkeling der
mensheid bestond. Voor sommigen was het een gelukkig overwonnen
beginstadium; voor anderen was het juist een verschijnsel van degeneratie
vergeleken met een ideale oertoestand; voor weer anderen speelde dit motief
alleen maar een rol in hun beschrijving van volkeren in vreemde verten, gelegen
aan de rand van of buiten de beschaafde wereld.
De implicatie van deze Griekse theorieën voor de beeldvorming van
Joden in de bewuste tekst van Apion is in ieder geval dezelfde als wanneer men
een Egyptische achtergrond aanneemt: in beide gevallen is de conclusie
onvermijdelijk dat de Joden in een stadium zijn blijven steken dat voorafgaat
aan de ontwikkeling van de beschaving óf zijn vervallen tot een gedegenereerd
leven op het niveau van wilde dieren.
Opnieuw dus: Joden zijn 'Untermenschen.' Ze hebben wel wetten maar die
dragen hen juist op rituelen uit te voeren die erop neerkomen dat ze nog op het
niveau van dieren leven, er een thêriôdês bios op na houden. Als kannibalen
zijn ze in feite wetteloos, primitief, immoreel, gewelddadig, en conspiratoir.
Ik wijs er uitdrukkelijk op dat deze extreme vorm van defamering, voortkomend
uit een intense jodenhaat, er al was vóórdat het christendom ontstond en lang
voordat er racistische theorieën over de inferioriteit van de Joden werden
ontwikkeld.
Het motief van het joodse kannibalisme met de daaraan voorafgaande al dan
niet rituele moord bleek een lang leven te zijn beschoren. In de christelijke
middeleeuwen duikt het motief in allerlei variaties overal weer op. Ik moet ook
daarover kort zijn en noem slechts enkele gegevens.
Het middeleeuwse anti-joodse discours is anders dan het antieke pre-christelijke
omdat het christendom als dominant motief dat van de godsmoord invoerde: de
Joden hebben Jezus vermoord en zijn daarom een verdoemd volk.
Maar alsof dat niet genoeg was, komt ook hier het element van joods
kannibalisme weer tevoorschijn. En deze keer is het uiteraard geen heidense
Griek die het slachtoffer is maar - u raadt het al - een christen, erger nog: een
christelijk kind.
Op de achtergrond speelt hier het door de hele periode van de
middeleeuwen heen door christenen aangehangen geloof dat Joden aanhangers
van de duivel waren (waarbij ze een aardig handje werden geholpen door
naargeestige uitlatingen in de johanneïsche literatuur van het Nieuwe
Testament over de duivel als vader van de Joden en de synagoge van de satan:
Joh. 8.44 en Openb. 2.9).
De Joden hadden een pact met de duivel gesloten en waren erop uit de
christenheid te vernietigen - geen wonder dat verhalen over allerlei door Joden
bedreven gruwelpraktijken in circulatie werden gebracht en gretig aftrek
vonden, een klassiek voorbeeld van diabolizering van een heel volk.
Zeer talrijk zijn de beschuldigingen dat Joden door vergiftiging, o.a. van
waterbronnen, proberen een zo groot mogelijk aantal christenen uit te roeien.
Wanneer dan ook in 1348 de Zwarte Dood in Europa toeslaat, een pestepidemie
waardoor een groot deel van de Europese bevolking omkomt, is het duidelijk
wie daarachter zitten; tienduizenden Joden worden her en der vermoord als
schuldigen aan deze ramp, behalve in Avignon waar ze bescherming van de
paus genieten.
Eeuwen later zegt Luther nog steeds dat, als de Joden de kans kregen,
ze alle christenen zouden vermoorden.
Maar niets heeft in de Middeleeuwen meer bijgedragen aan de bestendiging van
een diepgewortelde intense jodenhaat dan de talrijke verhalen over rituele
moord op christelijke kinderen door Joden.
Deze horrorachtige beschuldigingen, waarvan we talloze gevallen
kennen, werden meestal door katholieke geestelijken in omloop gebracht en
daarin werden willekeurige sterfgevallen en verdwijningen aangegrepen om de
Joden ervan te betichten dat zij christenen hadden vermoord omdat ze hun
bloed, en vaak ook hun ingewanden, nodig hadden voor hun duivelse rituelen,
d.w.z. magische praktijken. In latere versies heet het dan meestal dat hun
bloed, hart en lever nodig waren voor het bereiden van matses en andere
gerechten voor het Pesachmaal.
Soms werd er nog bij verteld dat het kind werd vetgemest voorafgaand
aan de dood door kruisiging! Zulke beschuldigingen liepen meestal uit op
massale moordpartijen.
Deze mythe is onuitroeibaar gebleken. Niet alleen werd hij in de Nazitijd door
Duitse fascisten als Julius Streicher in Der Stürmer volop uitgebuit, maar - zoals
we nu zullen zien - ook in de 21ste eeuw is deze gruwelmythe nog springlevend
en vindt hij gretig aftrek. Bij de tijd van het nationaalsocialisme (1933-1945)
hoef ik niet langer stil te staan.
Het is immers genoegzaam bekend dat in de nazi-propaganda de Joden
als volk systematisch zozeer gedemoniseerd en gedehumaniseerd werden dat
op den duur een meerderheid van de Duitsers, Oostenrijkers, Polen enz. de
Joden als niets anders kon zien dan als smerig ongedierte dat verdelgd moest
worden. De massamoordenaars in de concentratiekampen konden dan ook aan
het einde van elke dag naar huis gaan met het goede gevoel de mensheid een
grote dienst te hebben bewezen met het uitroeien van levensgevaarlijk
ongedierte.
Wie optimistisch zou verwachten dat na de Tweede Wereldoorlog dit giftige
gedachtengoed wel zou zijn verdwenen, komt bedrogen uit. In 1946 vielen er in
Polen tientallen joodse slachtoffers na beschuldigingen van ritueel kannibalisme.
Nog geen tien jaar geleden werd deze beschuldiging opnieuw geuit in een
Roemeense krant en op de Wit-Russische televisie.
Zeer onlangs, in de winter van 2005/2006, zond de Syrische staatstelevisie een
uitzending over de Joden uit waarin rabbijnen als kannibalen werden
afgeschilderd.
Geen wonder als men bedenkt dat in 1983 de latere Syrische
vicepremier en minister van defensie Mustafa Tlass een boek publiceerde (De
matze van Zion) waarin de bloedmythe weer breed wordt uitgemeten, een boek
waarop hij promoveerde (!) en waarmee hij een zeer groot publiek zou bereiken
(20 jaar later staat het nog steeds op de bestsellerslijst en is het in tal van talen
vertaald).
Daarmee stuiten we op een groot en mondiaal probleem, nl. dat de islamitische
wereld de fakkel van de redeloze jodenhaat van de nazi's heeft overgenomen en
met vuur en verve verder draagt.
De islamisering van het Europese antisemitisme is een van de meest
huiveringwekkende ontwikkelingen van de laatste decennia.
In heel de islamitische wereld wordt al jaren lang dag in dag uit in
kranten, weekbladen, schoolboeken, radio- en televisie-uitzendingen, preken
van imams, in lessen op school en aan de universiteiten een onvoorstelbare
hoeveelheid anti-joodse propaganda van de ergste soort over honderden
miljoenen hoofden uitgestrooid.
Ook in talloze cartoons, die soms aantoonbaar regelrecht zijn
overgenomen uit de antijoodse pers van de Nazi-tijd, wordt een beeld van het
joodse volk gecreëerd dat in negativiteit zijn weerga niet kent. De theoloog
Hans Jansen (niet onze arabist) heeft er een kleine 1500 verzameld uit alleen al
de laatste vijf jaar. Alle Joden zijn daarin steevast bloeddorstige monsters, zo
niet erger.
Onlangs schreef de Israëlische media-watcher Aryeh Stav dat wat er aan
anti-joodse propaganda omgaat in de islamitische wereld in omvang en ernst die
van de Nazi-tijd overtreft.
Dat hij gelijk heeft kan iedereen zien die de moeite neemt eens een tijd te
volgen wat er met name in Arabische media verschijnt (bijv. via de website van
MEMRI, het Middle East Media Research Institute) of anders door het
verbijsterende boek 'Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme' van Hans Jansen
te lezen en zijn CD-rom met bijna 1500 cartoons te bekijken. Daaruit blijkt
zonneklaar dat in de islamitische wereld op zeer grote schaal een hysterische
vorm van jodenhaat bestaat.
Zoals gezegd, ook de Jood als kannibaal ontbreekt in deze intensieve
haatcampagne niet. In menige cartoon worden Joden afgebeeld die islamitische
kinderen rauw verslinden, maar ook in boeken en TV-documentaires, op
internet-websites en in films, en zelfs in 'wetenschappelijke' publikaties duikt
het motief veelvuldig op.
Ook tal van andere zaken, waarvan de rest van de mensheid weet dat
Joden er helemaal niets mee te maken hebben, worden hun in de schoenen
geschoven: de Joden zitten achter de aanslag op de Twin Towers, achter de
Deense cartoons, achter de aidsepidemie, achter de tsunami, achter de
vogelgriep, achter de recente bomaanslag op de sji'itische gouden moskee in
Samarra, uiteraard achter het communisme én kapitalisme etcetera.
Als dan onweerlegbaar wordt aangetoond dat iets helemaal niet waar is,
bijvoorbeeld doordat Osama bin Laden zelf zegt de aanslag op de Twin Towers
te hebben gepleegd, zet dat maar weinigen aan tot denken, nee, men schakelt
alle denkbare middelen in om met deze cognitieve dissonantie om te gaan en
stelt vervolgens dat dus Osama bin Laden voor de Israëlische geheime dienst
werkt.
Niets helpt om deze groteske vijandsbeelden in de islamitische wereld te
ontkrachten - immers, men wil niets anders geloven. Hier regeert niet alleen de
leugen, hier regeert godsdienstfanatisme in zijn gevaarlijkste vorm.
En het trieste is dat we het hier niet hebben over kleine groepjes
radikalen maar juist over grote massa's gewone islamitische gelovigen die op dit
punt door en door gehersenspoeld zijn door hun geestelijke en politieke leiders.
Het bontst in dit opzicht maken het Iran, Syrië en de Palestijnse gebieden. Syrië
heb ik al genoemd.
Over Iran en zijn rabiate anti-joodse leiders die Israël met een atoombom
van de kaart willen vegen, hoef ik weinig te zeggen. Dat regime, dat de
Holocaust ontkent maar er wél graag zelf een wil veroorzaken, vormt de
grootste bedreiging voor Israëls voortbestaan sinds 1948: het werkt
onverbloemd aan een 'Endlösung.'
Maar in termen van ons thema -het propageren van jodenhaat - is de situatie
minstens even erg bij de Palestijnen.
De grofheid van de anti-joodse hersenspoeling die men daar kan
constateren overtreft de bangste verwachtingen. In tal van Palestijnse
schoolboeken wordt kinderen jaar in jaar uit geleerd dat het een heilige plicht is
het joodse volk te vernietigen omdat Joden als Satanskinderen zich tegen God
verzetten en tegen de mensheid en de islam complotteren.
Ook hebben de Joden helemaal geen historische wortels in Palestina, zij
zijn nieuwkomers vergeleken met de Palestijnen en moeten dus als een
agressieve koloniale macht worden beschouwd die gericht is op de vernietiging
van de islam en daarom zelf vernietigd moet worden. En al dat lesmateriaal
wordt door Europa zwaar gesubsidieerd, dus ook met uw en mijn belastinggeld.
Een van de zeer treurig stemmende kanten van deze zaak is dat Palestijnse
intellectuelen en wetenschappers aan Palestijnse universiteiten, niets doen om
deze leugens te ontmaskeren terwijl ze vrijwel zeker beter weten. Het is een
primaire taak van de wetenschap om onwetendheid te verhelpen, onzin aan de
kaak te stellen, vooroordelen te ontmaskeren en kritiek te leveren op wat
historisch en sociaal-ethisch niet door de beugel kan.
Maar geen Palestijnse wetenschapper verheft zijn stem tegen deze giftige
laster, integendeel, men doet er vaak juist een schepje bovenop. Ook in andere
islamitische landen ziet men trouwens dat wetenschappers soms tot
slippendragers van de geestelijke en politieke machthebbers zijn verworden.
Velen zullen het mij kwalijk nemen dat ik de lijn van de Nazipropaganda doortrek
naar de islamitische en met name de Palestijnse jodenhaat. Immers, zo denkt
men, het ligt in het geval van de Palestijnen toch heel anders, het komt toch
door de Israëlische bezetting van Palestijns gebied?
Nee, dat is aantoonbaar onzin. Voorbijgaand aan het veelzeggende feit
dat al in de 19de eeuw in islamitische landen in het Midden-Oosten een reeks
beschuldigingen van joods ritueel kannibalisme uitliep op moord en doodslag,
beperk ik mij tot het volgende.
Al lang vóór de bezetting van Palestijnse gebieden, ja zelfs al lang vóór de
oprichting van de staat Israël, nl. vanaf de jaren '20 van de vorige eeuw,
hadden de Palestijnen een leider genaamd Haj Amin al-Hoesseini, de islamitische
grootmoefti van Jeruzalem, die vanaf de opkomst van Hitler in 1933 nauwe
banden met deze Duitse dictator heeft gesmeed.
Tijdens de oorlog heeft hij jaren lang in Berlijn vertoefd om Hitler te
adviseren bij zijn plannen de Joden uit te moorden.
Wie de protokollaire verslagen van de gesprekken tussen beide heren
leest kan een huivering niet onderdrukken: hoe hartgrondig zijn zij het erover
eens dat het 'Weltjudentum' én de demokratie eens en voor goed moeten
worden uitgeroeid.
In 1944 bezoekt de Palestijnse leider samen met Eichmann het kamp Auschwitz
en hij is zo enthousiast over de effectiviteit van deze moordfabriek dat hij na
terugkeer in Palestina plannen maakt ook zo'n vernietigingskamp in de
omgeving van Nablous te bouwen om het land geheel 'judenrein' te maken.
Na de oorlog betreurt hij dat het hem niet is gelukt dat hoge ideaal te realiseren
en in 1948, vlak voor de stichting van de staat Israël, roept hij de Palestijnen
op om alle Joden te vermoorden en geen enkele krijgsgevangene in leven te
laten.
Door zijn grenzeloze jodenhaat wordt Al-Hoesseini tot ver over de
grenzen van zijn land razend populair in de islamitische wereld.
Het is deze islamofascist, deze nazistische oorlogsmisdadiger, die door
Yasser Arafat altijd is geprezen als 'the great hero of the Palestinian people' en
ook door de leiders van Hamas nog steeds als een lichtend voorbeeld wordt
gezien.
De opsteller van het handvest van Hamas, Achmed Yassin, die zichzelf
als de belangrijkste opvolger van Al-Hoesseini zag, maakt in dat handvest
duidelijk dat de strijd tegen de staat Israël slechts de eerste etappe is in een
wereldwijde vernietigingsoorlog tegen de Joden door de Moslimbroederschap.
In het Palestijnse verzet is er dus altijd een sterke islamofascistische
onderstroom geweest.
Geen wonder dat Hamas na de machtsovername eerder dit jaar
onmiddellijk nauwe banden met Iran heeft aangeknoopt; zij delen immers
hetzelfde ideaal, en dat is het ideaal van Nazi Duitsland, een 'Endlösung,' alle
rookgordijnen van leugens ten spijt.
Geen wonder ook dat vlak na de Tweede Wereldoorlog duizenden
Nazimisdadigers een veilig heenkomen zochten en onderdak kregen in Arabische
landen. Op de ministeries in Cairo krioelde het toen van de SS-ers.
Maar ook elders waren zij welkom, immers, vele islamitische heersers in
het Midden-Oosten stonden zeer welgezind tegenover Hitler, en staan dat nog.
Toen Hitler in 1935 de Neurenberger rassenwetten afkondigde, ontving hij uit
de hele Arabisch-islamitische wereld tal van gelukwensen. De zeer hoge
verkoopcijfers van Mein Kampf in die wereld tot op vandaag (het boek werd al
in de jaren '30 in het Arabisch vertaald) bevestigen het beeld nog eens ten
overvloede. En wat ongehoord dat juist uit die hoek de aantijging komt dat
Israëli's de nieuwe nazi's zijn!
Als men in ogenschouw neemt dat de islamitische jodenhaat door de intensieve
propaganda dagelijks meer moslims be‹nvloedt, en wel in de gehele wereld met
groot succes, kan men met grote waarschijnlijk concluderen dat er nog nooit
eerder in de geschiedenis een zo groot aantal jodenhaters is geweest als nu.
Dat is ook zichtbaar in het alsmaar toenemende aantal antisemitische
voorvallen wereldwijd. In ons land beperkt het zich nog tot pesterijen en
intimidatie van Joden; in Polen wakkert het nieuwe rechtse regime doelbewust
de oude jodenhaat weer aan; in Zweden wordt een website waarop een cartoon
van Mohammed wordt getoond onmiddellijk door de overheid van het internet
gehaald terwijl een islamitische website waarop wordt opgeroepen Joden te
vermoorden van diezelfde overheid ongehinderd mag doorgaan; in Frankrijk zijn
de eerste doden al gevallen; elders in Europa vinden aanslagen op synagogen
plaats; op Amerikaanse campuses wordt allerwege door intellectuelen (of wat
daarvoor wil doorgaan) een hetze-achtige anti-Israël-stemming gekweekt; de
staat Israël wordt door Iran bedreigd met een totale vernietigingsoorlog.
Wereldwijd houden joodse gemeenschappen hun hart vast. Opnieuw leven
Joden overal in ongerustheid en angst.
Lang geleden leerde Karl Popper ons dat je nooit tolerant moet zijn tegenover
intoleranten, maar Europa met haar slappe knieën is deze les vergeten en lijkt
uit culturele zelfhaat te buigen voor de terreur van de straat; Europa is (alweer)
te naief om deze 'clash of civilizations' onder ogen te zien en (opnieuw) blind
voor het sluipende gevaar van het fascisme, ditmaal het islamofascisme.
Maar wat doen in deze situatie de kerk en de wetenschap? De kerk laat het
opnieuw grotendeels afweten. Enkele individuele pro-Israël kerken daargelaten
moet men constateren dat de Wereldraad van Kerken voornamelijk
veroordelingen van Israël bekokstooft; deze nutteloze instelling kan niet snel
genoeg ter ziele gaan.
Wat de wetenschap betreft, her en der worden vanuit universiteiten,
vooral in Engeland, pogingen ondernomen om tot een boycot van Israëlische
universiteiten te komen, niet van Palestijnse of andere Arabische terwijl juist
daar de principes van de wetenschap vaak met voeten worden getreden, zoals
ik zojuist liet zien.
Wat doet de Universiteit Utrecht? Terwijl Eli Wiesel ons keer op keer heeft
voorgehouden dat er maar één remedie tegen jodenhaat is en dat is informatie
en nog eens informatie, waardoor onzinnige vertekeningen van de werkelijkheid
gecorrigeerd kunnen worden, besluit de Theologische Faculteit alhier het
onderwijs en onderzoek in het jodendom te marginaliseren.
Terwijl er hier in de tweede helft van de twintigste eeuw nog een fulltime
hoogleraar jodendom met een fulltime medewerker was, rest er nu nog slechts
een parttime universitair docent die bovendien nog het grootste deel van zijn tijd
les in het Nieuwe Testament moet geven i.p.v. in het jodendom omdat de plaats
van de joodse studies in het curriculum verregaand is uitgekleed.
Dit is in het huidige tijdsgewricht een totaal onverantwoord beleid. Wel royaal
aandacht geven aan de islam en tegelijkertijd het jodendom in onderwijs en
onderzoek marginaliseren is het tegenovergestelde van wat nodig is. Juist de
wetenschap heeft hier een extra zware verantwoordelijkheid. Als noch de kerk
noch de wetenschap een tegenwicht biedt aan het wereldwijd toenemende
antisemitisme, wie doet het dan wel nu we ook van de politiek weinig heil
kunnen verwachten?
Ik stel hier met nadruk dat een theologische faculteit die in dit beangstigende
tijdsgewricht haar verantwoordelijkheid in de strijd tegen de jodenhaat door
middel van onderwijs en onderzoek niet erkent, haar bestaansrecht moreel
gesproken op het spel zet.
Ik voeg hier nog aan toe dat ik ook van mening ben dat bij benoeming
van islamologen aan de faculteit gelet moet worden op de signatuur, d.w.z. dat
het van groot belang is dat er niet iemand wordt benoemd van het politiek
correcte soort islamologen waarvan Nederland er veel teveel heeft - de enkele
goede niet te na gesproken zoals onze eigen Hans Jansen (nu wél de arabist) -
maar een kritische islamoloog die de moed heeft ook de donkere kanten van de
islam onder ogen te zien en studenten er weerbaar tegen te maken.
Velen, vooral leden van de politiek correcte linkse kerk, zullen mij van
islamofobie beschuldigen. Dat ik daarvan niet wakker lig komt doordat ik weet
dat het in die hoek gebruikelijk is zich d.m.v. dit handige etiket te onttrekken
aan de wetenschappelijke plicht naar de feitelijke basis van mijn argumenten te
kijken. Het is een vorm van denkluiheid waarmee men het debat onmiddellijk
voor gesloten kan verklaren.
Ik lijd niet aan islamofobie, daarvoor heb ik in contacten met moslims,
met name Palestijnse moslims, teveel goede ervaringen opgedaan. Maar we
mogen onze ogen nooit sluiten voor zaken die we niet graag zien of die niet
passen in ons vaak door linkse ideologische oogkleppen bepaalde wereldbeeld.